Rechtbank 's-Hertogenbosch 28 december 2011 (grooming van 11 jarig meisje), LJN BU9341
Gelet op de wetsgeschiedenis is voor strafbaarheid wegens grooming meer nodig dan het uitsluitend op internet (en/of via de telefoon) communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel tot ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Fysiek contact is niet vereist. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden. Verdachte heeft met gebruikmaking van computer en telefoon ontmoetingen voorgesteld aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, terwijl verdachte enige handeling heeft ondernomen op het verwezenlijken van die ontmoeting. Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht. De bepaling strekt ertoe het in de digitale wereld vatbaar maken van een minderjarige voor seksueel misbruik in de fysieke wereld strafbaar te stellen. De focus van de bepaling ligt op de communicatiefase, voorafgaand aan daadwerkelijk seksueel contact. De rechtvaardiging voor strafbaarstelling ligt in de noodzaak om minderjarigen een effectieve bescherming te bieden. Volgt veroordeling tot 14 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, plus contactverbod. De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gelet op de wetsgeschiedenis is voor strafbaarheid wegens grooming meer nodig dan het uitsluitend op internet (en/of via de telefoon) communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel tot ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Fysiek contact is niet vereist. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden.
Verdachte heeft met gebruikmaking van computer en telefoon ontmoetingen voorgesteld aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, terwijl verdachte enige handeling heeft ondernomen op het verwezenlijken van die ontmoeting. Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht. De bepaling strekt ertoe het in de digitale wereld vatbaar maken van een minderjarige voor seksueel misbruik in de fysieke wereld strafbaar te stellen. De focus van de bepaling ligt op de communicatiefase, voorafgaand aan daadwerkelijk seksueel contact. De rechtvaardiging voor strafbaarstelling ligt in de noodzaak om minderjarigen een effectieve bescherming te bieden.
Volgt veroordeling tot 14 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, plus contactverbod. De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.